Aan het meer

Vanaf het bankje aan het water
zagen we de sierlijke zwaan
haar baan op niets af gaan.

We spraken over het bestaan,
hoe denken, ―o zo traag―,
het leven niet bij kan benen.

We zagen weerkaatst:
lucht, bomen en kerk in
wiebelende spiegelvlakken
welke telkens anders toonden,
één en ook gebroken.

Het fonkelend water deinend
componeerde met spiegelingen
magnifieke mozaïeken,
bij constatering alweer gewist.

Ons vermeende weten,
we zagen het breken en versmelten
in het vloeiend constateren:
we weten niks, wijs is dit meer.

.

Advertenties

Spoeling

schreef tijdens eb op het strand
haat in het zand opdat met de vloed de branding
het harteloze verslinden kwam

er waaide een krant, ik nam deze ter hand
om met mijn beste origami uit dwaze oorlogen
een hart voor leven te vouwen

toen het water haar werk had gedaan
gaf ik de terugtrekkende zee nog mijn paspoort mee
om ongeschonden weer landinwaarts te gaan

.

De Leegte

¨De Leegte…¨, zei je
¨ik ben hier nog nooit geweest.¨
Samen keken we naar de brand,
verlies van wat niet blijven kan.

Ik antwoordde:
¨De Leegte is vaak angstwekkend
maar als de fik het vurigst is
stellig welkome toevlucht.

Al het oude vergaat tot as
uit stof staat steeds nieuw leven op.

Waarom de Leegte leeg genoemd
als alles erin past?¨

.

Het stille oog

In donkere krochten van de geest:
oude boeken, stoffig en verspreid,
pagina´s verpulveren, verwaaien
bij het minste zuchtje wind.
In stilte zit ik en ik kijk ernaar,
de tijd eet gretig van al dat ik zie.
Geen weerstand tegen ´t vergankelijke
als ik wijze woorden en heilige namen
in vurige vlammen rook zie maken.

Kan verloren lijken en uitgeblust,
maar deze leegte is vol vitaal leven
nu de geest, tot echtheid niet in staat,
eindelijk is uitgespeeld.

Ze blijven komen de suggesties van gemis
maar ik aanvaard geen verhaal van gebrek,
in feite overschot van ondankbaarheid,
onbewogen gezien door het stille oog
dat zijn plekloze zetel niet kan verlaten,
door vorm gaat als radiostralen
tot in de bron: zien zelf.

Zien
dat er niets te zien valt,
wetend
dat kennis berust op vals bewijs,
naamgevend alleen
ter ontmanteling van verblindende namen,
aldus niet langer verontrust
op de troon onbekend.

.

Dakloos

1.
Aan de grond
op Schiphol Airport.
Dakloos en berooid.
Was dit het dan?
Wenste werkelijk
dat we neer zouden storten
dan was het maar gedaan
maar het werd netjes
de landingsbaan.
Zit
bij de pakken neer.
Wat zal ik nog?
Tranen zijn me nader
dan enig perspectief.
Is dit de prijs
voor eigenwijs?
Kom niet van mijn plek.
Zal dit gedicht mij redden?

2.
Krijg les.
Man komt bedelen.
Ik zeg nee.
Hij komt later weer.
Ik zeg: das de tweede keer.
O ja, sorry, zegt ie.
Dan loopt ie om de grote kerstboom
naar de oliebollenkraam.
Koopt één bal.
Plukt er stukjes van,
voert er vogels mee
met gulle lach.
A bum, net als ik,
maar dan volleerd.

.

Verwonderd beleven

Omdat ik hier nu rondga
ken ik een levenslot?
Uit niets gekomen,
tot niets weer gaand,
toch karmisch bestaan?

Alle vreugde, hemelhoog,
de ellende, de diepste goot,
niets kan blijven.

Leven na je dood?
Wat ervan je nu ook gelooft
zal met jou dan zijn gedoofd,
zie: je bent al als de dood.

.

Golvenspel

Golven water op mij toe aan land,
gedachtegolven uit mij over ´t strand
tot de twee stromen elkaar raken,
ik wat ik dacht te weten hoor plonzen,
–vermeende identiteit kopje onder.

Hoe vaak kwam ik al hier?
Wat vond ik aan dit water,
wat ging hier verloren?

Hoe slim ik ook dingen bedenk,
het wordt overspoeld telkens weer,
–zand erover.

.